Woordenlijst
Leer werkwoorden – Engels (UK)
want to leave
She wants to leave her hotel.
willen verlaten
Ze wil haar hotel verlaten.
speak out
She wants to speak out to her friend.
uitspreken
Ze wil zich uitspreken tegen haar vriend.
fight
The athletes fight against each other.
vechten
De atleten vechten tegen elkaar.
pass by
The train is passing by us.
voorbijgaan
De trein gaat aan ons voorbij.
protect
The mother protects her child.
beschermen
De moeder beschermt haar kind.
listen
He is listening to her.
luisteren
Hij luistert naar haar.
turn off
She turns off the electricity.
uitzetten
Ze zet de elektriciteit uit.
send off
She wants to send the letter off now.
versturen
Ze wil de brief nu versturen.
reply
She always replies first.
antwoorden
Zij antwoordt altijd eerst.
drive away
One swan drives away another.
wegjagen
De ene zwaan jaagt de andere weg.
start running
The athlete is about to start running.
beginnen met rennen
De atleet staat op het punt om te beginnen met rennen.