Woordenlijst
Leer werkwoorden – Engels (UK)
cut out
The shapes need to be cut out.
uitknippen
De vormen moeten worden uitgeknipt.
find one’s way
I can find my way well in a labyrinth.
de weg vinden
Ik kan goed de weg vinden in een labyrint.
vote
One votes for or against a candidate.
stemmen
Men stemt voor of tegen een kandidaat.
turn off
She turns off the alarm clock.
uitzetten
Ze zet de wekker uit.
cry
The child is crying in the bathtub.
huilen
Het kind huilt in het bad.
meet
Sometimes they meet in the staircase.
ontmoeten
Soms ontmoeten ze elkaar in het trappenhuis.
drink
She drinks tea.
drinken
Ze drinkt thee.
turn around
You have to turn the car around here.
omdraaien
Je moet hier de auto omdraaien.
enter
The subway has just entered the station.
binnenkomen
De metro is net het station binnengekomen.
damage
Two cars were damaged in the accident.
beschadigen
Twee auto’s raakten beschadigd bij het ongeluk.
study
The girls like to study together.
studeren
De meisjes studeren graag samen.