Woordenlijst
Leer werkwoorden – Zweeds
förklara
Farfar förklarar världen för sin sonson.
uitleggen
Opa legt de wereld uit aan zijn kleinzoon.
brinna
En eld brinner i spisen.
branden
Er brandt een vuur in de open haard.
prata
Han pratar ofta med sin granne.
kletsen
Hij kletst vaak met zijn buurman.
komma hem
Pappa har äntligen kommit hem!
thuiskomen
Papa is eindelijk thuisgekomen!
gilla
Hon gillar choklad mer än grönsaker.
houden van
Ze houdt meer van chocolade dan van groenten.
spendera pengar
Vi måste spendera mycket pengar på reparationer.
geld uitgeven
We moeten veel geld uitgeven aan reparaties.
tillbringa
Hon tillbringar all sin fritid utomhus.
doorbrengen
Ze brengt al haar vrije tijd buiten door.
diskutera
Kollegorna diskuterar problemet.
bespreken
De collega’s bespreken het probleem.
köra över
Tyvärr blir många djur fortfarande påkörda av bilar.
overrijden
Helaas worden er nog veel dieren overreden door auto’s.
täcka
Barnet täcker sig självt.
bedekken
Het kind bedekt zichzelf.
gå
Han tycker om att gå i skogen.
wandelen
Hij wandelt graag in het bos.