Woordenlijst
Leer werkwoorden – Portugees (BR)

examinar
O dentista examina a dentição do paciente.
controleren
De tandarts controleert het gebit van de patiënt.

chegar
Ele chegou na hora certa.
aankomen
Hij kwam net op tijd aan.

oferecer
Ela ofereceu-se para regar as flores.
aanbieden
Ze bood aan de bloemen water te geven.

esquecer
Ela esqueceu o nome dele agora.
vergeten
Ze is nu zijn naam vergeten.

cometer um erro
Pense bem para não cometer um erro!
een fout maken
Denk goed na zodat je geen fout maakt!

cobrir
A criança cobre seus ouvidos.
bedekken
Het kind bedekt zijn oren.

saber
As crianças são muito curiosas e já sabem muito.
weten
De kinderen zijn erg nieuwsgierig en weten al veel.

empurrar
O carro parou e teve que ser empurrado.
duwen
De auto stopte en moest geduwd worden.

encantar
O gol encanta os fãs alemães de futebol.
verheugen
Het doelpunt verheugt de Duitse voetbalfans.

mencionar
Quantas vezes preciso mencionar esse argumento?
ter sprake brengen
Hoe vaak moet ik dit argument ter sprake brengen?

procurar
A polícia está procurando o criminoso.
zoeken naar
De politie zoekt naar de dader.
