Woordenlijst

Leer werkwoorden – Portugees (BR)

cms/verbs-webp/68761504.webp
examinar
O dentista examina a dentição do paciente.
controleren
De tandarts controleert het gebit van de patiënt.
cms/verbs-webp/74916079.webp
chegar
Ele chegou na hora certa.
aankomen
Hij kwam net op tijd aan.
cms/verbs-webp/59250506.webp
oferecer
Ela ofereceu-se para regar as flores.
aanbieden
Ze bood aan de bloemen water te geven.
cms/verbs-webp/108118259.webp
esquecer
Ela esqueceu o nome dele agora.
vergeten
Ze is nu zijn naam vergeten.
cms/verbs-webp/42111567.webp
cometer um erro
Pense bem para não cometer um erro!
een fout maken
Denk goed na zodat je geen fout maakt!
cms/verbs-webp/55788145.webp
cobrir
A criança cobre seus ouvidos.
bedekken
Het kind bedekt zijn oren.
cms/verbs-webp/90032573.webp
saber
As crianças são muito curiosas e já sabem muito.
weten
De kinderen zijn erg nieuwsgierig en weten al veel.
cms/verbs-webp/86064675.webp
empurrar
O carro parou e teve que ser empurrado.
duwen
De auto stopte en moest geduwd worden.
cms/verbs-webp/110347738.webp
encantar
O gol encanta os fãs alemães de futebol.
verheugen
Het doelpunt verheugt de Duitse voetbalfans.
cms/verbs-webp/119520659.webp
mencionar
Quantas vezes preciso mencionar esse argumento?
ter sprake brengen
Hoe vaak moet ik dit argument ter sprake brengen?
cms/verbs-webp/34567067.webp
procurar
A polícia está procurando o criminoso.
zoeken naar
De politie zoekt naar de dader.
cms/verbs-webp/89025699.webp
carregar
O burro carrega uma carga pesada.
dragen
De ezel draagt een zware last.