Woordenlijst

Leer werkwoorden – Bosnisch

cms/verbs-webp/28581084.webp
visiti
S leda visi s krova.
hangen
IJsspegels hangen van het dak.
cms/verbs-webp/77572541.webp
ukloniti
Majstor je uklonio stare pločice.
verwijderen
De vakman heeft de oude tegels verwijderd.
cms/verbs-webp/120193381.webp
oženiti se
Par se upravo oženio.
trouwen
Het stel is net getrouwd.
cms/verbs-webp/47062117.webp
snaći se
Mora se snaći s malo novca.
rondkomen
Ze moet rondkomen met weinig geld.
cms/verbs-webp/128159501.webp
miješati
Razni sastojci trebaju se miješati.
mengen
Verschillende ingrediënten moeten worden gemengd.
cms/verbs-webp/74036127.webp
propustiti
Čovjek je propustio svoj vlak.
missen
De man heeft zijn trein gemist.
cms/verbs-webp/32180347.webp
rastaviti
Naš sin sve rastavlja!
uit elkaar halen
Onze zoon haalt alles uit elkaar!
cms/verbs-webp/122224023.webp
pomjeriti unazad
Uskoro ćemo morati sat ponovo pomjeriti unazad.
achteruit zetten
Binnenkort moeten we de klok weer achteruit zetten.
cms/verbs-webp/118485571.webp
učiniti
Žele nešto učiniti za svoje zdravlje.
doen voor
Ze willen iets voor hun gezondheid doen.
cms/verbs-webp/129300323.webp
dodirnuti
Farmer dodiruje svoje biljke.
aanraken
De boer raakt zijn planten aan.
cms/verbs-webp/109657074.webp
tjera
Jedan labud tjera drugog.
wegjagen
De ene zwaan jaagt de andere weg.
cms/verbs-webp/57481685.webp
ponoviti godinu
Student je ponovio godinu.
overdoen
De student heeft een jaar overgedaan.