Woordenlijst

Leer werkwoorden – Frans

cms/verbs-webp/49853662.webp
écrire partout
Les artistes ont écrit partout sur le mur entier.
schrijven op
De kunstenaars hebben op de hele muur geschreven.
cms/verbs-webp/81025050.webp
combattre
Les athlètes se combattent.
vechten
De atleten vechten tegen elkaar.
cms/verbs-webp/65840237.webp
envoyer
Les marchandises me seront envoyées dans un paquet.
sturen
De goederen worden in een pakket naar mij gestuurd.
cms/verbs-webp/104135921.webp
entrer
Il entre dans la chambre d’hôtel.
binnenkomen
Hij komt de hotelkamer binnen.
cms/verbs-webp/95655547.webp
laisser passer devant
Personne ne veut le laisser passer devant à la caisse du supermarché.
voor laten
Niemand wil hem voor laten gaan bij de kassa van de supermarkt.
cms/verbs-webp/98082968.webp
écouter
Il l’écoute.
luisteren
Hij luistert naar haar.
cms/verbs-webp/114231240.webp
mentir
Il ment souvent quand il veut vendre quelque chose.
liegen
Hij liegt vaak als hij iets wil verkopen.
cms/verbs-webp/123834435.webp
reprendre
L’appareil est défectueux ; le revendeur doit le reprendre.
terugnemen
Het apparaat is defect; de winkelier moet het terugnemen.
cms/verbs-webp/89869215.webp
donner un coup de pied
Ils aiment donner des coups de pied, mais seulement au baby-foot.
schoppen
Ze schoppen graag, maar alleen bij tafelvoetbal.
cms/verbs-webp/100649547.webp
embaucher
Le candidat a été embauché.
aannemen
De sollicitant werd aangenomen.
cms/verbs-webp/94909729.webp
attendre
Nous devons encore attendre un mois.
wachten
We moeten nog een maand wachten.
cms/verbs-webp/93169145.webp
parler
Il parle à son auditoire.
spreken
Hij spreekt tot zijn publiek.