Woordenlijst
Leer werkwoorden – Frans

écrire partout
Les artistes ont écrit partout sur le mur entier.
schrijven op
De kunstenaars hebben op de hele muur geschreven.

combattre
Les athlètes se combattent.
vechten
De atleten vechten tegen elkaar.

envoyer
Les marchandises me seront envoyées dans un paquet.
sturen
De goederen worden in een pakket naar mij gestuurd.

entrer
Il entre dans la chambre d’hôtel.
binnenkomen
Hij komt de hotelkamer binnen.

laisser passer devant
Personne ne veut le laisser passer devant à la caisse du supermarché.
voor laten
Niemand wil hem voor laten gaan bij de kassa van de supermarkt.

écouter
Il l’écoute.
luisteren
Hij luistert naar haar.

mentir
Il ment souvent quand il veut vendre quelque chose.
liegen
Hij liegt vaak als hij iets wil verkopen.

reprendre
L’appareil est défectueux ; le revendeur doit le reprendre.
terugnemen
Het apparaat is defect; de winkelier moet het terugnemen.

donner un coup de pied
Ils aiment donner des coups de pied, mais seulement au baby-foot.
schoppen
Ze schoppen graag, maar alleen bij tafelvoetbal.

embaucher
Le candidat a été embauché.
aannemen
De sollicitant werd aangenomen.

attendre
Nous devons encore attendre un mois.
wachten
We moeten nog een maand wachten.
