Woordenlijst

Leer werkwoorden – Frans

cms/verbs-webp/120515454.webp
nourrir
Les enfants nourrissent le cheval.
voeden
De kinderen voeden het paard.
cms/verbs-webp/122079435.webp
augmenter
L’entreprise a augmenté ses revenus.
verhogen
Het bedrijf heeft zijn omzet verhoogd.
cms/verbs-webp/110775013.webp
noter
Elle veut noter son idée d’entreprise.
opschrijven
Ze wil haar zakelijk idee opschrijven.
cms/verbs-webp/86583061.webp
payer
Elle a payé par carte de crédit.
betalen
Ze betaalde met een creditcard.
cms/verbs-webp/58292283.webp
exiger
Il exige une indemnisation.
eisen
Hij eist compensatie.
cms/verbs-webp/104759694.webp
espérer
Beaucoup espèrent un avenir meilleur en Europe.
hopen
Velen hopen op een betere toekomst in Europa.
cms/verbs-webp/112286562.webp
travailler
Elle travaille mieux qu’un homme.
werken
Ze werkt beter dan een man.
cms/verbs-webp/127720613.webp
manquer
Il manque beaucoup à sa petite amie.
missen
Hij mist zijn vriendin erg.
cms/verbs-webp/128644230.webp
renouveler
Le peintre veut renouveler la couleur du mur.
vernieuwen
De schilder wil de muurkleur vernieuwen.
cms/verbs-webp/81885081.webp
brûler
Il a brûlé une allumette.
aansteken
Hij stak een lucifer aan.
cms/verbs-webp/115113805.webp
discuter
Ils discutent entre eux.
kletsen
Ze kletsen met elkaar.
cms/verbs-webp/41019722.webp
rentrer
Après les courses, les deux rentrent chez elles.
naar huis rijden
Na het winkelen rijden de twee naar huis.