Woordenlijst
Leer werkwoorden – Frans

nourrir
Les enfants nourrissent le cheval.
voeden
De kinderen voeden het paard.

augmenter
L’entreprise a augmenté ses revenus.
verhogen
Het bedrijf heeft zijn omzet verhoogd.

noter
Elle veut noter son idée d’entreprise.
opschrijven
Ze wil haar zakelijk idee opschrijven.

payer
Elle a payé par carte de crédit.
betalen
Ze betaalde met een creditcard.

exiger
Il exige une indemnisation.
eisen
Hij eist compensatie.

espérer
Beaucoup espèrent un avenir meilleur en Europe.
hopen
Velen hopen op een betere toekomst in Europa.

travailler
Elle travaille mieux qu’un homme.
werken
Ze werkt beter dan een man.

manquer
Il manque beaucoup à sa petite amie.
missen
Hij mist zijn vriendin erg.

renouveler
Le peintre veut renouveler la couleur du mur.
vernieuwen
De schilder wil de muurkleur vernieuwen.

brûler
Il a brûlé une allumette.
aansteken
Hij stak een lucifer aan.

discuter
Ils discutent entre eux.
kletsen
Ze kletsen met elkaar.
