Woordenlijst

Leer werkwoorden – Frans

cms/verbs-webp/130288167.webp
nettoyer
Elle nettoie la cuisine.
schoonmaken
Ze maakt de keuken schoon.
cms/verbs-webp/44848458.webp
arrêter
Vous devez vous arrêter au feu rouge.
stoppen
Je moet stoppen bij het rode licht.
cms/verbs-webp/94193521.webp
tourner
Vous pouvez tourner à gauche.
draaien
Je mag naar links draaien.
cms/verbs-webp/90287300.webp
sonner
Entends-tu la cloche sonner?
rinkelen
Hoor je de bel rinkelen?
cms/verbs-webp/101556029.webp
refuser
L’enfant refuse sa nourriture.
weigeren
Het kind weigert zijn eten.
cms/verbs-webp/106608640.webp
utiliser
Même les petits enfants utilisent des tablettes.
gebruiken
Zelfs kleine kinderen gebruiken tablets.
cms/verbs-webp/68841225.webp
comprendre
Je ne peux pas te comprendre !
begrijpen
Ik kan je niet begrijpen!
cms/verbs-webp/123170033.webp
faire faillite
L’entreprise fera probablement faillite bientôt.
failliet gaan
Het bedrijf gaat waarschijnlijk binnenkort failliet.
cms/verbs-webp/68561700.webp
laisser ouvert
Celui qui laisse les fenêtres ouvertes invite les cambrioleurs!
open laten
Wie de ramen open laat, nodigt inbrekers uit!
cms/verbs-webp/105681554.webp
causer
Le sucre cause de nombreuses maladies.
veroorzaken
Suiker veroorzaakt veel ziekten.
cms/verbs-webp/116932657.webp
percevoir
Il perçoit une bonne pension à la retraite.
ontvangen
Hij ontvangt een goed pensioen op oudere leeftijd.
cms/verbs-webp/125319888.webp
couvrir
Elle couvre ses cheveux.
bedekken
Ze bedekt haar haar.