Woordenlijst
Leer werkwoorden – Engels (UK)
choose
It is hard to choose the right one.
kiezen
Het is moeilijk om de juiste te kiezen.
wake up
The alarm clock wakes her up at 10 a.m.
wekken
De wekker wekt haar om 10 uur ’s ochtends.
command
He commands his dog.
bevelen
Hij beveelt zijn hond.
tell
I have something important to tell you.
vertellen
Ik heb iets belangrijks te vertellen.
write down
She wants to write down her business idea.
opschrijven
Ze wil haar zakelijk idee opschrijven.
mix
Various ingredients need to be mixed.
mengen
Verschillende ingrediënten moeten worden gemengd.
lead
He enjoys leading a team.
leiden
Hij leidt graag een team.
explain
Grandpa explains the world to his grandson.
uitleggen
Opa legt de wereld uit aan zijn kleinzoon.
close
She closes the curtains.
sluiten
Ze sluit de gordijnen.
ignore
The child ignores his mother’s words.
negeren
Het kind negeert de woorden van zijn moeder.
send
I sent you a message.
sturen
Ik heb je een bericht gestuurd.