Woordenlijst
Leer werkwoorden – Engels (UK)
feel
He often feels alone.
voelen
Hij voelt zich vaak alleen.
sit
Many people are sitting in the room.
zitten
Er zitten veel mensen in de kamer.
search
I search for mushrooms in the fall.
zoeken
Ik zoek paddenstoelen in de herfst.
travel around
I’ve traveled a lot around the world.
rondreizen
Ik heb veel rond de wereld gereisd.
drive around
The cars drive around in a circle.
rondrijden
De auto’s rijden in een cirkel rond.
demand
He is demanding compensation.
eisen
Hij eist compensatie.
find difficult
Both find it hard to say goodbye.
moeilijk vinden
Beiden vinden het moeilijk om afscheid te nemen.
improve
She wants to improve her figure.
verbeteren
Ze wil haar figuur verbeteren.
lie behind
The time of her youth lies far behind.
achterliggen
De tijd van haar jeugd ligt ver achter haar.
criticize
The boss criticizes the employee.
bekritiseren
De baas bekritiseert de werknemer.
represent
Lawyers represent their clients in court.
vertegenwoordigen
Advocaten vertegenwoordigen hun cliënten in de rechtbank.