Woordenlijst
Leer werkwoorden – Spaans

destruir
El tornado destruye muchas casas.
vernielen
De tornado vernielt veel huizen.

invitar
Te invitamos a nuestra fiesta de Año Nuevo.
uitnodigen
Wij nodigen je uit voor ons oudejaarsfeest.

saltar
El niño salta felizmente.
rondspringen
Het kind springt vrolijk in het rond.

conectar
Este puente conecta dos barrios.
verbinden
Deze brug verbindt twee wijken.

imitar
El niño imita un avión.
imiteren
Het kind imiteert een vliegtuig.

lavar
No me gusta lavar los platos.
afwassen
Ik hou niet van afwassen.

bailar
Están bailando un tango enamorados.
dansen
Ze dansen verliefd een tango.

ahorrar
La niña está ahorrando su dinero de bolsillo.
sparen
Het meisje spaart haar zakgeld.

huir
Nuestro hijo quería huir de casa.
weglopen
Onze zoon wilde van huis weglopen.

defender
Los dos amigos siempre quieren defenderse mutuamente.
opkomen voor
De twee vrienden willen altijd voor elkaar opkomen.

crear
¿Quién creó la Tierra?
creëren
Wie heeft de aarde gecreëerd?
