Woordenlijst

Leer werkwoorden – Spaans

cms/verbs-webp/106515783.webp
destruir
El tornado destruye muchas casas.
vernielen
De tornado vernielt veel huizen.
cms/verbs-webp/112408678.webp
invitar
Te invitamos a nuestra fiesta de Año Nuevo.
uitnodigen
Wij nodigen je uit voor ons oudejaarsfeest.
cms/verbs-webp/60395424.webp
saltar
El niño salta felizmente.
rondspringen
Het kind springt vrolijk in het rond.
cms/verbs-webp/79201834.webp
conectar
Este puente conecta dos barrios.
verbinden
Deze brug verbindt twee wijken.
cms/verbs-webp/125088246.webp
imitar
El niño imita un avión.
imiteren
Het kind imiteert een vliegtuig.
cms/verbs-webp/104476632.webp
lavar
No me gusta lavar los platos.
afwassen
Ik hou niet van afwassen.
cms/verbs-webp/97188237.webp
bailar
Están bailando un tango enamorados.
dansen
Ze dansen verliefd een tango.
cms/verbs-webp/96628863.webp
ahorrar
La niña está ahorrando su dinero de bolsillo.
sparen
Het meisje spaart haar zakgeld.
cms/verbs-webp/41918279.webp
huir
Nuestro hijo quería huir de casa.
weglopen
Onze zoon wilde van huis weglopen.
cms/verbs-webp/86996301.webp
defender
Los dos amigos siempre quieren defenderse mutuamente.
opkomen voor
De twee vrienden willen altijd voor elkaar opkomen.
cms/verbs-webp/61826744.webp
crear
¿Quién creó la Tierra?
creëren
Wie heeft de aarde gecreëerd?
cms/verbs-webp/26758664.webp
ahorrar
Mis hijos han ahorrado su propio dinero.
sparen
Mijn kinderen hebben hun eigen geld gespaard.