Woordenlijst

Leer werkwoorden – Spaans

cms/verbs-webp/120509602.webp
perdonar
Ella nunca podrá perdonarle por eso.
vergeven
Ze kan het hem nooit vergeven!
cms/verbs-webp/124740761.webp
detener
La mujer detiene un coche.
stoppen
De vrouw stopt een auto.
cms/verbs-webp/42111567.webp
equivocar
¡Piensa bien para que no te equivoques!
een fout maken
Denk goed na zodat je geen fout maakt!
cms/verbs-webp/119302514.webp
llamar
La niña está llamando a su amiga.
bellen
Het meisje belt haar vriendin.
cms/verbs-webp/22225381.webp
partir
El barco parte del puerto.
vertrekken
Het schip vertrekt uit de haven.
cms/verbs-webp/118588204.webp
esperar
Ella está esperando el autobús.
wachten
Ze wacht op de bus.
cms/verbs-webp/27564235.webp
trabajar en
Tiene que trabajar en todos estos archivos.
werken aan
Hij moet aan al deze bestanden werken.
cms/verbs-webp/120259827.webp
criticar
El jefe critica al empleado.
bekritiseren
De baas bekritiseert de werknemer.
cms/verbs-webp/23468401.webp
comprometerse
¡Se han comprometido en secreto!
verloven
Ze hebben stiekem verloofd!
cms/verbs-webp/70055731.webp
partir
El tren parte.
vertrekken
De trein vertrekt.
cms/verbs-webp/26758664.webp
ahorrar
Mis hijos han ahorrado su propio dinero.
sparen
Mijn kinderen hebben hun eigen geld gespaard.
cms/verbs-webp/73880931.webp
limpiar
El trabajador está limpiando la ventana.
schoonmaken
De werker maakt het raam schoon.