Woordenlijst
Leer werkwoorden – Spaans

lanzar a
Se lanzan la pelota el uno al otro.
gooien naar
Ze gooien de bal naar elkaar.

saltar
El pez salta fuera del agua.
uitspringen
De vis springt uit het water.

iniciar sesión
Tienes que iniciar sesión con tu contraseña.
inloggen
Je moet inloggen met je wachtwoord.

salir
Ella sale del coche.
uitgaan
Ze stapt uit de auto.

añadir
Ella añade un poco de leche al café.
toevoegen
Ze voegt wat melk toe aan de koffie.

explicar
Ella le explica cómo funciona el dispositivo.
uitleggen
Ze legt hem uit hoe het apparaat werkt.

salir
Los niños finalmente quieren salir.
uitgaan
De kinderen willen eindelijk naar buiten.

pintar
El auto se está pintando de azul.
schilderen
De auto wordt blauw geschilderd.

gustar
A ella le gusta más el chocolate que las verduras.
houden van
Ze houdt meer van chocolade dan van groenten.

esperar
Ella está esperando el autobús.
wachten
Ze wacht op de bus.

entrar
Él entra en la habitación del hotel.
binnenkomen
Hij komt de hotelkamer binnen.
