Woordenlijst

Leer werkwoorden – Engels (US)

cms/verbs-webp/115847180.webp
help
Everyone helps set up the tent.
helpen
Iedereen helpt de tent opzetten.
cms/verbs-webp/58477450.webp
rent out
He is renting out his house.
verhuren
Hij verhuurt zijn huis.
cms/verbs-webp/106608640.webp
use
Even small children use tablets.
gebruiken
Zelfs kleine kinderen gebruiken tablets.
cms/verbs-webp/107852800.webp
look
She looks through binoculars.
kijken
Ze kijkt door een verrekijker.
cms/verbs-webp/96586059.webp
fire
The boss has fired him.
ontslaan
De baas heeft hem ontslagen.
cms/verbs-webp/95056918.webp
lead
He leads the girl by the hand.
leiden
Hij leidt het meisje bij de hand.
cms/verbs-webp/51465029.webp
run slow
The clock is running a few minutes slow.
achterlopen
De klok loopt een paar minuten achter.
cms/verbs-webp/86064675.webp
push
The car stopped and had to be pushed.
duwen
De auto stopte en moest geduwd worden.
cms/verbs-webp/33493362.webp
call back
Please call me back tomorrow.
terugbellen
Bel me morgen alstublieft terug.
cms/verbs-webp/8451970.webp
discuss
The colleagues discuss the problem.
bespreken
De collega’s bespreken het probleem.
cms/verbs-webp/65915168.webp
rustle
The leaves rustle under my feet.
ritselen
De bladeren ritselen onder mijn voeten.
cms/verbs-webp/75195383.webp
be
You shouldn’t be sad!
zijn
Je moet niet verdrietig zijn!