Woordenlijst
Leer werkwoorden – Engels (US)
help
Everyone helps set up the tent.
helpen
Iedereen helpt de tent opzetten.
rent out
He is renting out his house.
verhuren
Hij verhuurt zijn huis.
use
Even small children use tablets.
gebruiken
Zelfs kleine kinderen gebruiken tablets.
look
She looks through binoculars.
kijken
Ze kijkt door een verrekijker.
fire
The boss has fired him.
ontslaan
De baas heeft hem ontslagen.
lead
He leads the girl by the hand.
leiden
Hij leidt het meisje bij de hand.
run slow
The clock is running a few minutes slow.
achterlopen
De klok loopt een paar minuten achter.
push
The car stopped and had to be pushed.
duwen
De auto stopte en moest geduwd worden.
call back
Please call me back tomorrow.
terugbellen
Bel me morgen alstublieft terug.
discuss
The colleagues discuss the problem.
bespreken
De collega’s bespreken het probleem.
rustle
The leaves rustle under my feet.
ritselen
De bladeren ritselen onder mijn voeten.