Woordenlijst
Leer werkwoorden – Catalaans
atrevir-se
No m’atreveixo a saltar a l’aigua.
durven
Ik durf niet in het water te springen.
connectar
Aquest pont connecta dos barris.
verbinden
Deze brug verbindt twee wijken.
retrobar-se
Finalment es retroben.
weerzien
Ze zien elkaar eindelijk weer.
desencadenar
El fum va desencadenar l’alarma.
activeren
De rook activeerde het alarm.
pintar
He pintat un bell quadre per a tu!
schilderen
Ik heb een mooi schilderij voor je geschilderd!
trepitjar
No puc trepitjar a terra amb aquest peu.
stappen op
Ik kan met deze voet niet op de grond stappen.
portar
Vam portar un arbre de Nadal.
meenemen
We hebben een kerstboom meegenomen.
perdre’s
Em vaig perdre pel camí.
verdwalen
Ik ben onderweg verdwaald.
petonejar
Ell petoneja el nadó.
kussen
Hij kust de baby.
declarar-se en fallida
L’empresa probablement es declararà en fallida aviat.
failliet gaan
Het bedrijf gaat waarschijnlijk binnenkort failliet.
començar
Els excursionistes van començar d’hora al matí.
beginnen
De wandelaars begonnen vroeg in de ochtend.