Woordenlijst
Leer werkwoorden – Engels (US)
deliver
The delivery person is bringing the food.
brengen
De bezorger brengt het eten.
run over
A cyclist was run over by a car.
aanrijden
Een fietser werd aangereden door een auto.
spread out
He spreads his arms wide.
uitspreiden
Hij spreidt zijn armen wijd uit.
respond
She responded with a question.
antwoorden
Ze antwoordde met een vraag.
check
The dentist checks the teeth.
controleren
De tandarts controleert de tanden.
contain
Fish, cheese, and milk contain a lot of protein.
bevatten
Vis, kaas en melk bevatten veel eiwitten.
burn
The meat must not burn on the grill.
branden
Het vlees mag niet branden op de grill.
listen to
The children like to listen to her stories.
luisteren naar
De kinderen luisteren graag naar haar verhalen.
hang
Both are hanging on a branch.
hangen
Ze hangen beide aan een tak.
pass
The medieval period has passed.
voorbijgaan
De middeleeuwse periode is voorbijgegaan.
monitor
Everything is monitored here by cameras.
monitoren
Alles wordt hier door camera’s gemonitord.