Woordenlijst
Leer werkwoorden – Ests

suudlema
Ta suudleb last.
kussen
Hij kust de baby.

ära viskama
Neid vanu kummirehve tuleb eraldi ära visata.
weggooien
Deze oude rubberen banden moeten apart worden weggegooid.

muutma
Tuli muutus roheliseks.
veranderen
Het licht veranderde in groen.

kartma
Laps kardab pimedas.
bang zijn
Het kind is bang in het donker.

läbi laskma
Kas pagulasi peaks piiril läbi laskma?
doorlaten
Moeten vluchtelingen aan de grenzen worden doorgelaten?

põhjustama
Suhkur põhjustab palju haigusi.
veroorzaken
Suiker veroorzaakt veel ziekten.

mööda minema
Rong sõidab meist mööda.
voorbijgaan
De trein gaat aan ons voorbij.

korjama
Ta korjas õuna.
plukken
Ze plukte een appel.

jalutama minema
Perekond läheb pühapäeviti jalutama.
wandelen
De familie gaat op zondag wandelen.

tantsima
Nad tantsivad armunult tangot.
dansen
Ze dansen verliefd een tango.

lõbutsema
Meil oli lõbustuspargis palju lõbu!
plezier hebben
We hebben veel plezier gehad op de kermis!
