Woordenlijst
Leer werkwoorden – Ests

tõestama
Ta soovib tõestada matemaatilist valemit.
bewijzen
Hij wil een wiskundige formule bewijzen.

kuulama
Lapsed armastavad kuulata tema lugusid.
luisteren naar
De kinderen luisteren graag naar haar verhalen.

rongiga minema
Ma lähen sinna rongiga.
met de trein gaan
Ik ga er met de trein heen.

omama käsutuses
Lapsed omavad käsutuses ainult taskuraha.
ter beschikking hebben
Kinderen hebben alleen zakgeld ter beschikking.

piirama
Kas kaubandust peaks piirama?
beperken
Moet handel worden beperkt?

keerama
Ta keerab liha.
draaien
Ze draait het vlees.

teadma
Ta teab paljusid raamatuid peaaegu peast.
kennen
Ze kent veel boeken bijna uit haar hoofd.

püsti seisma
Ta ei suuda enam iseseisvalt püsti seista.
opstaan
Ze kan niet meer zelfstandig opstaan.

kohale tooma
Pitsa kuller toob pitsa kohale.
bezorgen
De pizzabezorger bezorgt de pizza.

kõrvale panema
Tahan iga kuu hilisemaks kasutamiseks raha kõrvale panna.
opzij zetten
Ik wil elke maand wat geld opzij zetten voor later.

tagasi tulema
Bumerang tuli tagasi.
terugkomen
De boemerang kwam terug.
