Woordenlijst
Leer werkwoorden – Engels (UK)
visit
She is visiting Paris.
bezoeken
Ze bezoekt Parijs.
influence
Don’t let yourself be influenced by others!
beïnvloeden
Laat je niet door anderen beïnvloeden!
leave out
You can leave out the sugar in the tea.
weglaten
Je kunt de suiker in de thee weglaten.
pick
She picked an apple.
plukken
Ze plukte een appel.
spread out
He spreads his arms wide.
uitspreiden
Hij spreidt zijn armen wijd uit.
sign
He signed the contract.
ondertekenen
Hij ondertekende het contract.
touch
He touched her tenderly.
aanraken
Hij raakte haar teder aan.
drive back
The mother drives the daughter back home.
terugrijden
De moeder rijdt met de dochter terug naar huis.
come first
Health always comes first!
voorgaan
Gezondheid gaat altijd voor!
want to leave
She wants to leave her hotel.
willen verlaten
Ze wil haar hotel verlaten.
work on
He has to work on all these files.
werken aan
Hij moet aan al deze bestanden werken.