Vocabulary
Learn Verbs – Dutch
brengen
De koerier brengt een pakketje.
bring
The messenger brings a package.
vertellen
Ik heb iets belangrijks te vertellen.
tell
I have something important to tell you.
praten met
Iemand zou met hem moeten praten; hij is zo eenzaam.
talk to
Someone should talk to him; he’s so lonely.
drinken
De koeien drinken water uit de rivier.
drink
The cows drink water from the river.
durven
Ze durfden uit het vliegtuig te springen.
dare
They dared to jump out of the airplane.
beschermen
Kinderen moeten beschermd worden.
protect
Children must be protected.
leuk vinden
Het kind vindt het nieuwe speelgoed leuk.
like
The child likes the new toy.
delen
We moeten leren onze rijkdom te delen.
share
We need to learn to share our wealth.
vragen
Mijn kleinkind vraagt veel van mij.
demand
My grandchild demands a lot from me.
bevatten
Vis, kaas en melk bevatten veel eiwitten.
contain
Fish, cheese, and milk contain a lot of protein.
snijden
Voor de salade moet je de komkommer snijden.
cut up
For the salad, you have to cut up the cucumber.