Vocabulary
Learn Verbs – Dutch
weglopen
Sommige kinderen lopen van huis weg.
run away
Some kids run away from home.
openen
Het festival werd geopend met vuurwerk.
open
The festival was opened with fireworks.
kletsen
Studenten mogen niet kletsen tijdens de les.
chat
Students should not chat during class.
vragen
Hij vraagt haar om vergeving.
ask
He asks her for forgiveness.
loslaten
Je mag de grip niet loslaten!
let go
You must not let go of the grip!
ontbijten
We ontbijten het liefst op bed.
have breakfast
We prefer to have breakfast in bed.
sorteren
Hij sorteert graag zijn postzegels.
sort
He likes sorting his stamps.
gebruiken
We gebruiken gasmaskers in het vuur.
use
We use gas masks in the fire.
benadrukken
Je kunt je ogen goed benadrukken met make-up.
emphasize
You can emphasize your eyes well with makeup.
weggooien
Hij stapt op een weggegooide bananenschil.
throw away
He steps on a thrown-away banana peel.
aanbieden
Ze bood aan de bloemen water te geven.
offer
She offered to water the flowers.