Woordenlijst
Leer werkwoorden – Engels (UK)
walk
He likes to walk in the forest.
wandelen
Hij wandelt graag in het bos.
need
You need a jack to change a tire.
nodig hebben
Je hebt een krik nodig om een band te verwisselen.
happen
An accident has happened here.
gebeuren
Hier is een ongeluk gebeurd.
go further
You can’t go any further at this point.
verder gaan
Je kunt op dit punt niet verder gaan.
restrict
Should trade be restricted?
beperken
Moet handel worden beperkt?
throw to
They throw the ball to each other.
gooien naar
Ze gooien de bal naar elkaar.
call back
Please call me back tomorrow.
terugbellen
Bel me morgen alstublieft terug.
appear
A huge fish suddenly appeared in the water.
verschijnen
Er verscheen plotseling een grote vis in het water.
buy
They want to buy a house.
kopen
Ze willen een huis kopen.
introduce
He is introducing his new girlfriend to his parents.
voorstellen
Hij stelt zijn nieuwe vriendin voor aan zijn ouders.
sleep
The baby sleeps.
slapen
De baby slaapt.