Woordenlijst

Leer werkwoorden – Ests

cms/verbs-webp/123170033.webp
pankrotti minema
Ettevõte läheb ilmselt varsti pankrotti.
failliet gaan
Het bedrijf gaat waarschijnlijk binnenkort failliet.
cms/verbs-webp/118588204.webp
ootama
Ta ootab bussi.
wachten
Ze wacht op de bus.
cms/verbs-webp/75508285.webp
ootama
Lapsed ootavad alati lund.
verheugen
Kinderen verheugen zich altijd op sneeuw.
cms/verbs-webp/122153910.webp
jagama
Nad jagavad kodutöid omavahel.
verdelen
Ze verdelen het huishoudelijk werk onder elkaar.
cms/verbs-webp/125116470.webp
usaldama
Me kõik usaldame teineteist.
vertrouwen
We vertrouwen elkaar allemaal.
cms/verbs-webp/21689310.webp
küsima
Minu õpetaja küsib tihti minu käest.
aanspreken
Mijn leraar spreekt me vaak aan.
cms/verbs-webp/122789548.webp
andma
Mida tema poiss-sõber andis talle sünnipäevaks?
geven
Wat heeft haar vriend haar voor haar verjaardag gegeven?
cms/verbs-webp/109588921.webp
välja lülitama
Ta lülitab äratuse välja.
uitzetten
Ze zet de wekker uit.
cms/verbs-webp/21529020.webp
poole jooksma
Tüdruk jookseb oma ema poole.
toelopen
Het meisje loopt naar haar moeder toe.
cms/verbs-webp/68435277.webp
tulema
Mul on hea meel, et sa tulid!
komen
Ik ben blij dat je bent gekomen!
cms/verbs-webp/92384853.webp
sobima
Tee ei sobi jalgratturitele.
geschikt zijn
Het pad is niet geschikt voor fietsers.
cms/verbs-webp/122224023.webp
tagasi keerama
Varsti peame kella jälle tagasi keerama.
achteruit zetten
Binnenkort moeten we de klok weer achteruit zetten.