Woordenlijst
Leer werkwoorden – Ests

pankrotti minema
Ettevõte läheb ilmselt varsti pankrotti.
failliet gaan
Het bedrijf gaat waarschijnlijk binnenkort failliet.

ootama
Ta ootab bussi.
wachten
Ze wacht op de bus.

ootama
Lapsed ootavad alati lund.
verheugen
Kinderen verheugen zich altijd op sneeuw.

jagama
Nad jagavad kodutöid omavahel.
verdelen
Ze verdelen het huishoudelijk werk onder elkaar.

usaldama
Me kõik usaldame teineteist.
vertrouwen
We vertrouwen elkaar allemaal.

küsima
Minu õpetaja küsib tihti minu käest.
aanspreken
Mijn leraar spreekt me vaak aan.

andma
Mida tema poiss-sõber andis talle sünnipäevaks?
geven
Wat heeft haar vriend haar voor haar verjaardag gegeven?

välja lülitama
Ta lülitab äratuse välja.
uitzetten
Ze zet de wekker uit.

poole jooksma
Tüdruk jookseb oma ema poole.
toelopen
Het meisje loopt naar haar moeder toe.

tulema
Mul on hea meel, et sa tulid!
komen
Ik ben blij dat je bent gekomen!

sobima
Tee ei sobi jalgratturitele.
geschikt zijn
Het pad is niet geschikt voor fietsers.
