Woordenlijst
Leer werkwoorden – Ests

teadma
Laps teab oma vanemate tülist.
bewust zijn van
Het kind is zich bewust van de ruzie van zijn ouders.

jäljendama
Laps jäljendab lennukit.
imiteren
Het kind imiteert een vliegtuig.

sisse magama
Nad soovivad lõpuks üheks ööks sisse magada.
uitslapen
Ze willen eindelijk eens een nacht uitslapen.

teadma
Ta teab paljusid raamatuid peaaegu peast.
kennen
Ze kent veel boeken bijna uit haar hoofd.

vallandama
Ülemus on ta vallandanud.
ontslaan
De baas heeft hem ontslagen.

sööma
Mida me täna sööma tahame?
eten
Wat willen we vandaag eten?

vastama
Ta vastab alati esimesena.
antwoorden
Zij antwoordt altijd eerst.

sisse laskma
Väljas sadas lund ja me lasime nad sisse.
binnenlaten
Buiten sneeuwde het en we lieten ze binnen.

saatma
Koer saadab neid.
begeleiden
De hond begeleidt hen.

tänama
Ta tänas teda lilledega.
bedanken
Hij bedankte haar met bloemen.

edasi jõudma
Teod jõuavad aeglaselt edasi.
vooruitgang boeken
Slakken boeken alleen langzame vooruitgang.
