Woordenlijst

Leer werkwoorden – Ests

cms/verbs-webp/104302586.webp
tagasi saama
Ma sain vahetusraha tagasi.
terugkrijgen
Ik kreeg het wisselgeld terug.
cms/verbs-webp/105854154.webp
piirama
Aiad piiravad meie vabadust.
begrenzen
Hekken begrenzen onze vrijheid.
cms/verbs-webp/93169145.webp
rääkima
Ta räägib oma kuulajaskonnaga.
spreken
Hij spreekt tot zijn publiek.
cms/verbs-webp/59121211.webp
helistama
Kes uksekella helistas?
bellen
Wie heeft er aan de deurbel gebeld?
cms/verbs-webp/104167534.webp
omama
Ma omam punast sportautot.
bezitten
Ik bezit een rode sportwagen.
cms/verbs-webp/101765009.webp
saatma
Koer saadab neid.
begeleiden
De hond begeleidt hen.
cms/verbs-webp/100298227.webp
kallistama
Ta kallistab oma vana isa.
knuffelen
Hij knuffelt zijn oude vader.
cms/verbs-webp/57574620.webp
jagama
Meie tütar jagab ajalehti pühade ajal.
bezorgen
Onze dochter bezorgt kranten tijdens de vakantie.
cms/verbs-webp/123298240.webp
kohtuma
Sõbrad kohtusid ühiseks õhtusöögiks.
ontmoeten
De vrienden ontmoetten elkaar voor een gezamenlijk diner.
cms/verbs-webp/114379513.webp
katma
Vesiroosid katab vee.
bedekken
De waterlelies bedekken het water.
cms/verbs-webp/91997551.webp
mõistma
Kõike arvutite kohta ei saa mõista.
begrijpen
Men kan niet alles over computers begrijpen.
cms/verbs-webp/78073084.webp
pikali heitma
Nad olid väsinud ja heitsid pikali.
liggen
Ze waren moe en gingen liggen.