Woordenlijst
Leer werkwoorden – Afrikaans
bedien
Die kelner bedien die kos.
serveren
De ober serveert het eten.
ry huis toe
Na inkopies doen, ry die twee huis toe.
naar huis rijden
Na het winkelen rijden de twee naar huis.
stuur
Ek het vir jou ’n boodskap gestuur.
sturen
Ik heb je een bericht gestuurd.
deelneem
Hy neem deel aan die wedren.
deelnemen
Hij neemt deel aan de race.
kanselleer
Hy het ongelukkig die vergadering gekanselleer.
annuleren
Hij heeft helaas de vergadering geannuleerd.
glo
Baie mense glo in God.
geloven
Veel mensen geloven in God.
gaan loer
Die dokters gaan elke dag by die pasiënt loer.
langskomen
De artsen komen elke dag bij de patiënt langs.
voorberei
Hulle berei ’n heerlike maaltyd voor.
bereiden
Ze bereiden een heerlijke maaltijd.
werk
Sy werk beter as ’n man.
werken
Ze werkt beter dan een man.
aanstel
Die maatskappy wil meer mense aanstel.
aannemen
Het bedrijf wil meer mensen aannemen.
wag
Sy wag vir die bus.
wachten
Ze wacht op de bus.