Woordeskat

Leer Werkwoorde – Nederlands

cms/verbs-webp/70055731.webp
vertrekken
De trein vertrekt.
vertrek
Die trein vertrek.
cms/verbs-webp/102114991.webp
knippen
De kapper knipt haar haar.
sny
Die haarkapper sny haar hare.
cms/verbs-webp/27076371.webp
toebehoren
Mijn vrouw behoort mij toe.
behoort
My vrou behoort aan my.
cms/verbs-webp/90321809.webp
geld uitgeven
We moeten veel geld uitgeven aan reparaties.
geld uitgee
Ons moet baie geld aan herstelwerk spandeer.
cms/verbs-webp/129203514.webp
kletsen
Hij kletst vaak met zijn buurman.
gesels
Hy gesels dikwels met sy buurman.
cms/verbs-webp/106203954.webp
gebruiken
We gebruiken gasmaskers in het vuur.
gebruik
Ons gebruik gasmaskers in die brand.
cms/verbs-webp/111750432.webp
hangen
Ze hangen beide aan een tak.
hang
Albei hang aan ’n tak.
cms/verbs-webp/90309445.webp
plaatsvinden
De begrafenis vond eergisteren plaats.
plaasvind
Die begrafnis het eergister plaasgevind.
cms/verbs-webp/32312845.webp
uitsluiten
De groep sluit hem uit.
uitsluit
Die groep sluit hom uit.
cms/verbs-webp/104818122.webp
repareren
Hij wilde de kabel repareren.
herstel
Hy wou die kabel herstel.
cms/verbs-webp/84365550.webp
vervoeren
De vrachtwagen vervoert de goederen.
vervoer
Die vragmotor vervoer die goedere.
cms/verbs-webp/8482344.webp
kussen
Hij kust de baby.
soen
Hy soen die baba.