Woordeskat
Leer Werkwoorde – Nederlands

sturen
De goederen worden in een pakket naar mij gestuurd.
stuur
Die goedere sal in ’n pakkie aan my gestuur word.

bedanken
Hij bedankte haar met bloemen.
dank
Hy het haar met blomme gedank.

dienen
Honden dienen graag hun baasjes.
dien
Honde hou daarvan om hulle eienaars te dien.

voelen
De moeder voelt veel liefde voor haar kind.
voel
Die ma voel baie liefde vir haar kind.

terugbellen
Bel me morgen alstublieft terug.
terugbel
Bel my asseblief môre terug.

werken voor
Hij heeft hard gewerkt voor zijn goede cijfers.
werk vir
Hy het hard gewerk vir sy goeie punte.

noemen
Hoeveel landen kun je noemen?
noem
Hoeveel lande kan jy noem?

activeren
De rook activeerde het alarm.
aktiveer
Die rook het die alarm geaktiveer.

wandelen
De familie gaat op zondag wandelen.
stap
Die gesin gaan Sondae stap.

bewijzen
Hij wil een wiskundige formule bewijzen.
bewys
Hy wil ’n wiskundige formule bewys.

bidden
Hij bidt in stilte.
bid
Hy bid stilweg.
