Woordeskat
Leer Werkwoorde – Nederlands

vervoeren
We vervoeren de fietsen op het dak van de auto.
vervoer
Ons vervoer die fietse op die motor se dak.

meedenken
Je moet meedenken bij kaartspellen.
saamdink
Jy moet saamdink in kaartspelletjies.

annuleren
De vlucht is geannuleerd.
kanselleer
Die vlug is gekanselleer.

opschrijven
Je moet het wachtwoord opschrijven!
neerskryf
Jy moet die wagwoord neerskryf!

bestellen
Ze bestelt ontbijt voor zichzelf.
bestel
Sy bestel ontbyt vir haarself.

veranderen
Het licht veranderde in groen.
verander
Die lig het groen verander.

schrijven
Hij schrijft een brief.
skryf
Hy skryf ’n brief.

spelen
Het kind speelt liever alleen.
speel
Die kind verkies om alleen te speel.

gaan
Waar gaan jullie beiden heen?
gaan
Waarheen gaan julle albei?

duwen
De auto stopte en moest geduwd worden.
druk
Die motor het gestop en moes gedruk word.

stemmen
Men stemt voor of tegen een kandidaat.
stem
Mens stem vir of teen ’n kandidaat.
