Woordeskat

Leer Werkwoorde – Nederlands

cms/verbs-webp/46602585.webp
vervoeren
We vervoeren de fietsen op het dak van de auto.
vervoer
Ons vervoer die fietse op die motor se dak.
cms/verbs-webp/47225563.webp
meedenken
Je moet meedenken bij kaartspellen.
saamdink
Jy moet saamdink in kaartspelletjies.
cms/verbs-webp/63351650.webp
annuleren
De vlucht is geannuleerd.
kanselleer
Die vlug is gekanselleer.
cms/verbs-webp/66441956.webp
opschrijven
Je moet het wachtwoord opschrijven!
neerskryf
Jy moet die wagwoord neerskryf!
cms/verbs-webp/117490230.webp
bestellen
Ze bestelt ontbijt voor zichzelf.
bestel
Sy bestel ontbyt vir haarself.
cms/verbs-webp/75423712.webp
veranderen
Het licht veranderde in groen.
verander
Die lig het groen verander.
cms/verbs-webp/119895004.webp
schrijven
Hij schrijft een brief.
skryf
Hy skryf ’n brief.
cms/verbs-webp/87317037.webp
spelen
Het kind speelt liever alleen.
speel
Die kind verkies om alleen te speel.
cms/verbs-webp/82669892.webp
gaan
Waar gaan jullie beiden heen?
gaan
Waarheen gaan julle albei?
cms/verbs-webp/86064675.webp
duwen
De auto stopte en moest geduwd worden.
druk
Die motor het gestop en moes gedruk word.
cms/verbs-webp/95190323.webp
stemmen
Men stemt voor of tegen een kandidaat.
stem
Mens stem vir of teen ’n kandidaat.
cms/verbs-webp/98977786.webp
noemen
Hoeveel landen kun je noemen?
noem
Hoeveel lande kan jy noem?