Woordenlijst
Leer werkwoorden – Portugees (BR)

referir
O professor refere-se ao exemplo no quadro.
verwijzen
De leraar verwijst naar het voorbeeld op het bord.

seguir
Meu cachorro me segue quando eu corro.
volgen
Mijn hond volgt me als ik jog.

entrar
Ele entra no quarto do hotel.
binnenkomen
Hij komt de hotelkamer binnen.

procurar
Eu procuro por cogumelos no outono.
zoeken
Ik zoek paddenstoelen in de herfst.

enviar
Eu te enviei uma mensagem.
sturen
Ik heb je een bericht gestuurd.

verificar
O dentista verifica os dentes.
controleren
De tandarts controleert de tanden.

desfrutar
Ela desfruta da vida.
genieten
Ze geniet van het leven.

brincar
A criança prefere brincar sozinha.
spelen
Het kind speelt liever alleen.

entrar
O navio está entrando no porto.
binnenkomen
Het schip komt de haven binnen.

exercer
Ela exerce uma profissão incomum.
uitoefenen
Ze oefent een ongewoon beroep uit.

deixar aberto
Quem deixa as janelas abertas convida ladrões!
open laten
Wie de ramen open laat, nodigt inbrekers uit!
