Woordenlijst

Leer werkwoorden – Italiaans

cms/verbs-webp/115373990.webp
apparire
Un grosso pesce è apparso improvvisamente nell’acqua.
verschijnen
Er verscheen plotseling een grote vis in het water.
cms/verbs-webp/4706191.webp
praticare
La donna pratica yoga.
oefenen
De vrouw beoefent yoga.
cms/verbs-webp/119417660.webp
credere
Molte persone credono in Dio.
geloven
Veel mensen geloven in God.
cms/verbs-webp/95625133.webp
amare
Lei ama molto il suo gatto.
houden van
Ze houdt heel veel van haar kat.
cms/verbs-webp/63351650.webp
cancellare
Il volo è cancellato.
annuleren
De vlucht is geannuleerd.
cms/verbs-webp/110045269.webp
completare
Lui completa il suo percorso di jogging ogni giorno.
voltooien
Hij voltooit elke dag zijn jogroute.
cms/verbs-webp/123492574.webp
allenarsi
Gli atleti professionisti devono allenarsi ogni giorno.
trainen
Professionele atleten moeten elke dag trainen.
cms/verbs-webp/108991637.webp
evitare
Lei evita il suo collega.
vermijden
Ze vermijdt haar collega.
cms/verbs-webp/102631405.webp
dimenticare
Lei non vuole dimenticare il passato.
vergeten
Ze wil het verleden niet vergeten.
cms/verbs-webp/64904091.webp
raccogliere
Dobbiamo raccogliere tutte le mele.
oprapen
We moeten alle appels oprapen.
cms/verbs-webp/1502512.webp
leggere
Non posso leggere senza occhiali.
lezen
Ik kan niet zonder bril lezen.
cms/verbs-webp/82604141.webp
gettare
Lui pesta su una buccia di banana gettata.
weggooien
Hij stapt op een weggegooide bananenschil.