Vocabolario

Impara i verbi – Olandese

cms/verbs-webp/89516822.webp
straffen
Ze strafte haar dochter.
punire
Ha punito sua figlia.
cms/verbs-webp/61575526.webp
wijken
Veel oude huizen moeten wijken voor de nieuwe.
fare spazio
Molte vecchie case devono fare spazio per quelle nuove.
cms/verbs-webp/124545057.webp
luisteren naar
De kinderen luisteren graag naar haar verhalen.
ascoltare
I bambini amano ascoltare le sue storie.
cms/verbs-webp/123519156.webp
doorbrengen
Ze brengt al haar vrije tijd buiten door.
trascorrere
Lei trascorre tutto il suo tempo libero fuori.
cms/verbs-webp/77581051.webp
aanbieden
Wat bied je me aan voor mijn vis?
offrire
Cosa mi offri per il mio pesce?
cms/verbs-webp/107273862.webp
verbonden zijn
Alle landen op aarde zijn met elkaar verbonden.
essere interconnesso
Tutti i paesi sulla Terra sono interconnessi.
cms/verbs-webp/123203853.webp
veroorzaken
Alcohol kan hoofdpijn veroorzaken.
causare
L’alcol può causare mal di testa.
cms/verbs-webp/78309507.webp
uitknippen
De vormen moeten worden uitgeknipt.
ritagliare
Le forme devono essere ritagliate.
cms/verbs-webp/102327719.webp
slapen
De baby slaapt.
dormire
Il bambino dorme.
cms/verbs-webp/57207671.webp
accepteren
Ik kan dat niet veranderen, ik moet het accepteren.
accettare
Non posso cambiare ciò, devo accettarlo.
cms/verbs-webp/113966353.webp
serveren
De ober serveert het eten.
servire
Il cameriere serve il cibo.
cms/verbs-webp/120870752.webp
trekken
Hoe gaat hij die grote vis eruit trekken?
estrarre
Come farà a estrarre quel grosso pesce?