Vocabolario
Impara i verbi – Olandese

straffen
Ze strafte haar dochter.
punire
Ha punito sua figlia.

wijken
Veel oude huizen moeten wijken voor de nieuwe.
fare spazio
Molte vecchie case devono fare spazio per quelle nuove.

luisteren naar
De kinderen luisteren graag naar haar verhalen.
ascoltare
I bambini amano ascoltare le sue storie.

doorbrengen
Ze brengt al haar vrije tijd buiten door.
trascorrere
Lei trascorre tutto il suo tempo libero fuori.

aanbieden
Wat bied je me aan voor mijn vis?
offrire
Cosa mi offri per il mio pesce?

verbonden zijn
Alle landen op aarde zijn met elkaar verbonden.
essere interconnesso
Tutti i paesi sulla Terra sono interconnessi.

veroorzaken
Alcohol kan hoofdpijn veroorzaken.
causare
L’alcol può causare mal di testa.

uitknippen
De vormen moeten worden uitgeknipt.
ritagliare
Le forme devono essere ritagliate.

slapen
De baby slaapt.
dormire
Il bambino dorme.

accepteren
Ik kan dat niet veranderen, ik moet het accepteren.
accettare
Non posso cambiare ciò, devo accettarlo.

serveren
De ober serveert het eten.
servire
Il cameriere serve il cibo.
