Vocabolario

Impara i verbi – Olandese

cms/verbs-webp/61389443.webp
liggen
De kinderen liggen samen in het gras.
sdraiarsi
I bambini sono sdraiati insieme sull’erba.
cms/verbs-webp/117897276.webp
ontvangen
Hij ontving een loonsverhoging van zijn baas.
ricevere
Ha ricevuto un aumento dal suo capo.
cms/verbs-webp/118868318.webp
houden van
Ze houdt meer van chocolade dan van groenten.
piacere
A lei piace più il cioccolato che le verdure.
cms/verbs-webp/116610655.webp
bouwen
Wanneer werd de Chinese Muur gebouwd?
costruire
Quando è stata costruita la Grande Muraglia cinese?
cms/verbs-webp/33564476.webp
bezorgen
De pizzabezorger bezorgt de pizza.
consegnare
Il ragazzo delle pizze consegna la pizza.
cms/verbs-webp/19351700.webp
voorzien
Strandstoelen worden voor de vakantiegangers voorzien.
fornire
Sono fornite sedie a sdraio per i vacanzieri.
cms/verbs-webp/119613462.webp
verwachten
Mijn zus verwacht een kind.
aspettare
Mia sorella aspetta un bambino.
cms/verbs-webp/125376841.webp
bekijken
Op vakantie heb ik veel bezienswaardigheden bekeken.
osservare
In vacanza, ho osservato molte attrazioni.
cms/verbs-webp/59121211.webp
bellen
Wie heeft er aan de deurbel gebeld?
suonare
Chi ha suonato il campanello?
cms/verbs-webp/123237946.webp
gebeuren
Hier is een ongeluk gebeurd.
accadere
Qui è accaduto un incidente.
cms/verbs-webp/117421852.webp
vrienden worden
De twee zijn vrienden geworden.
diventare amici
I due sono diventati amici.
cms/verbs-webp/123211541.webp
sneeuwen
Het heeft vandaag veel gesneeuwd.
nevicare
Oggi ha nevicato molto.