Vocabolario

Impara i verbi – Olandese

cms/verbs-webp/114052356.webp
branden
Het vlees mag niet branden op de grill.
bruciare
La carne non deve bruciare sulla griglia.
cms/verbs-webp/97593982.webp
bereiden
Er wordt een heerlijk ontbijt bereid!
preparare
Una deliziosa colazione è stata preparata!
cms/verbs-webp/80552159.webp
werken
De motorfiets is kapot; hij werkt niet meer.
funzionare
La moto è rotta; non funziona più.
cms/verbs-webp/96710497.webp
overtreffen
Walvissen overtreffen alle dieren in gewicht.
superare
Le balene superano tutti gli animali in peso.
cms/verbs-webp/120900153.webp
uitgaan
De kinderen willen eindelijk naar buiten.
uscire
I bambini finalmente vogliono uscire.
cms/verbs-webp/118588204.webp
wachten
Ze wacht op de bus.
aspettare
Lei sta aspettando l’autobus.
cms/verbs-webp/106997420.webp
onaangeroerd laten
De natuur werd onaangeroerd gelaten.
lasciare intatto
La natura è stata lasciata intatta.
cms/verbs-webp/63935931.webp
draaien
Ze draait het vlees.
girare
Lei gira la carne.
cms/verbs-webp/129300323.webp
aanraken
De boer raakt zijn planten aan.
toccare
Il contadino tocca le sue piante.
cms/verbs-webp/80427816.webp
corrigeren
De leraar corrigeert de essays van de studenten.
correggere
L’insegnante corregge i temi degli studenti.
cms/verbs-webp/102853224.webp
samenbrengen
De taalcursus brengt studenten van over de hele wereld samen.
riunire
Il corso di lingua riunisce studenti da tutto il mondo.
cms/verbs-webp/106787202.webp
thuiskomen
Papa is eindelijk thuisgekomen!
tornare
Papà è finalmente tornato a casa!