Vocabolario
Impara i verbi – Olandese

branden
Het vlees mag niet branden op de grill.
bruciare
La carne non deve bruciare sulla griglia.

bereiden
Er wordt een heerlijk ontbijt bereid!
preparare
Una deliziosa colazione è stata preparata!

werken
De motorfiets is kapot; hij werkt niet meer.
funzionare
La moto è rotta; non funziona più.

overtreffen
Walvissen overtreffen alle dieren in gewicht.
superare
Le balene superano tutti gli animali in peso.

uitgaan
De kinderen willen eindelijk naar buiten.
uscire
I bambini finalmente vogliono uscire.

wachten
Ze wacht op de bus.
aspettare
Lei sta aspettando l’autobus.

onaangeroerd laten
De natuur werd onaangeroerd gelaten.
lasciare intatto
La natura è stata lasciata intatta.

draaien
Ze draait het vlees.
girare
Lei gira la carne.

aanraken
De boer raakt zijn planten aan.
toccare
Il contadino tocca le sue piante.

corrigeren
De leraar corrigeert de essays van de studenten.
correggere
L’insegnante corregge i temi degli studenti.

samenbrengen
De taalcursus brengt studenten van over de hele wereld samen.
riunire
Il corso di lingua riunisce studenti da tutto il mondo.
