Vocabolario
Impara i verbi – Olandese

terechtkomen
Hoe zijn we in deze situatie terechtgekomen?
finire
Come siamo finiti in questa situazione?

bevelen
Hij beveelt zijn hond.
comandare
Lui comanda il suo cane.

begeleiden
De hond begeleidt hen.
accompagnare
Il cane li accompagna.

ondertekenen
Hij ondertekende het contract.
firmare
Ha firmato il contratto.

aanraken
De boer raakt zijn planten aan.
toccare
Il contadino tocca le sue piante.

laten staan
Vandaag moeten velen hun auto’s laten staan.
lasciare fermo
Oggi molti devono lasciare ferme le loro auto.

melden
Ze meldt het schandaal aan haar vriendin.
riferire
Lei riferisce lo scandalo alla sua amica.

verkiezen
Veel kinderen verkiezen snoep boven gezonde dingen.
preferire
Molti bambini preferiscono le caramelle alle cose sane.

vaststellen
De datum wordt vastgesteld.
stabilire
La data viene stabilita.

stappen op
Ik kan met deze voet niet op de grond stappen.
calpestare
Non posso calpestare il terreno con questo piede.

vertrekken
De trein vertrekt.
partire
Il treno parte.
