Woordenlijst
Leer werkwoorden – Portugees (PT)

misturar
Vários ingredientes precisam ser misturados.
mengen
Verschillende ingrediënten moeten worden gemengd.

conhecer
Ela conhece muitos livros quase de cor.
kennen
Ze kent veel boeken bijna uit haar hoofd.

praticar
A mulher pratica yoga.
oefenen
De vrouw beoefent yoga.

precisar
Você precisa de um macaco para trocar um pneu.
nodig hebben
Je hebt een krik nodig om een band te verwisselen.

sentir falta
Ele sente muita falta de sua namorada.
missen
Hij mist zijn vriendin erg.

pendurar
A rede pende do teto.
hangen
De hangmat hangt aan het plafond.

levar
A mãe leva a filha de volta para casa.
terugrijden
De moeder rijdt met de dochter terug naar huis.

perder
O homem perdeu seu trem.
missen
De man heeft zijn trein gemist.

ousar
Eu não ousaria pular na água.
durven
Ik durf niet in het water te springen.

olhar um para o outro
Eles se olharam por muito tempo.
elkaar aankijken
Ze keken elkaar lang aan.

passar
Os estudantes passaram no exame.
slagen
De studenten zijn geslaagd voor het examen.
