Woordenlijst

Leer werkwoorden – Italiaans

cms/verbs-webp/60111551.webp
prendere
Lei deve prendere molti farmaci.
nemen
Ze moet veel medicatie nemen.
cms/verbs-webp/84365550.webp
trasportare
Il camion trasporta le merci.
vervoeren
De vrachtwagen vervoert de goederen.
cms/verbs-webp/108014576.webp
rivedere
Finalmente si rivedono.
weerzien
Ze zien elkaar eindelijk weer.
cms/verbs-webp/86996301.webp
difendere
I due amici vogliono sempre difendersi a vicenda.
opkomen voor
De twee vrienden willen altijd voor elkaar opkomen.
cms/verbs-webp/79201834.webp
collegare
Questo ponte collega due quartieri.
verbinden
Deze brug verbindt twee wijken.
cms/verbs-webp/84850955.webp
cambiare
Molto è cambiato a causa del cambiamento climatico.
veranderen
Veel is veranderd door klimaatverandering.
cms/verbs-webp/124525016.webp
giacere dietro
Il tempo della sua gioventù giace lontano nel passato.
achterliggen
De tijd van haar jeugd ligt ver achter haar.
cms/verbs-webp/8482344.webp
baciare
Lui bacia il bambino.
kussen
Hij kust de baby.
cms/verbs-webp/44518719.webp
camminare
Non si deve camminare su questo sentiero.
bewandelen
Dit pad mag niet bewandeld worden.
cms/verbs-webp/123211541.webp
nevicare
Oggi ha nevicato molto.
sneeuwen
Het heeft vandaag veel gesneeuwd.
cms/verbs-webp/119613462.webp
aspettare
Mia sorella aspetta un bambino.
verwachten
Mijn zus verwacht een kind.
cms/verbs-webp/113253386.webp
funzionare
Non ha funzionato questa volta.
lukken
Deze keer is het niet gelukt.