Woordenlijst

Leer werkwoorden – Frans

cms/verbs-webp/91367368.webp
se promener
La famille se promène le dimanche.
wandelen
De familie gaat op zondag wandelen.
cms/verbs-webp/74009623.webp
tester
La voiture est testée dans l’atelier.
testen
De auto wordt in de werkplaats getest.
cms/verbs-webp/47062117.webp
se débrouiller
Elle doit se débrouiller avec peu d’argent.
rondkomen
Ze moet rondkomen met weinig geld.
cms/verbs-webp/98082968.webp
écouter
Il l’écoute.
luisteren
Hij luistert naar haar.
cms/verbs-webp/106203954.webp
utiliser
Nous utilisons des masques à gaz dans l’incendie.
gebruiken
We gebruiken gasmaskers in het vuur.
cms/verbs-webp/118343897.webp
travailler ensemble
Nous travaillons ensemble en équipe.
samenwerken
We werken samen als een team.
cms/verbs-webp/112407953.webp
écouter
Elle écoute et entend un son.
luisteren
Ze luistert en hoort een geluid.
cms/verbs-webp/61826744.webp
créer
Qui a créé la Terre ?
creëren
Wie heeft de aarde gecreëerd?
cms/verbs-webp/40326232.webp
comprendre
J’ai enfin compris la tâche !
begrijpen
Ik begreep eindelijk de taak!
cms/verbs-webp/75001292.webp
démarrer
Quand le feu est passé au vert, les voitures ont démarré.
wegrijden
Toen het licht veranderde, reden de auto’s weg.
cms/verbs-webp/118064351.webp
éviter
Il doit éviter les noix.
vermijden
Hij moet noten vermijden.
cms/verbs-webp/96710497.webp
surpasser
Les baleines surpassent tous les animaux en poids.
overtreffen
Walvissen overtreffen alle dieren in gewicht.