Woordenlijst

Leer werkwoorden – Italiaans

cms/verbs-webp/119335162.webp
muoversi
È sano muoversi molto.
bewegen
Het is gezond om veel te bewegen.
cms/verbs-webp/87142242.webp
pendere
L’ammaca pende dal soffitto.
hangen
De hangmat hangt aan het plafond.
cms/verbs-webp/115224969.webp
perdonare
Io gli perdono i suoi debiti.
vergeven
Ik vergeef hem zijn schulden.
cms/verbs-webp/21342345.webp
piacere
Al bambino piace il nuovo giocattolo.
leuk vinden
Het kind vindt het nieuwe speelgoed leuk.
cms/verbs-webp/127554899.webp
preferire
Nostra figlia non legge libri; preferisce il suo telefono.
verkiezen
Onze dochter leest geen boeken; ze verkiest haar telefoon.
cms/verbs-webp/90773403.webp
seguire
Il mio cane mi segue quando faccio jogging.
volgen
Mijn hond volgt me als ik jog.
cms/verbs-webp/98294156.webp
commerciare
Le persone commerciano mobili usati.
handelen
Mensen handelen in gebruikte meubels.
cms/verbs-webp/80356596.webp
salutare
La donna saluta.
afscheid nemen
De vrouw neemt afscheid.
cms/verbs-webp/120900153.webp
uscire
I bambini finalmente vogliono uscire.
uitgaan
De kinderen willen eindelijk naar buiten.
cms/verbs-webp/116835795.webp
arrivare
Molte persone arrivano in camper durante le vacanze.
aankomen
Veel mensen komen op vakantie met een camper aan.
cms/verbs-webp/101709371.webp
produrre
Si può produrre più economicamente con i robot.
produceren
Men kan goedkoper produceren met robots.
cms/verbs-webp/96628863.webp
risparmiare
La ragazza sta risparmiando il suo denaro da tasca.
sparen
Het meisje spaart haar zakgeld.