Woordenlijst
Leer werkwoorden – Duits

verschleudern
Die Ware wird verschleudert.
uitverkopen
De koopwaar wordt uitverkocht.

sollen
Man soll viel Wasser trinken.
moeten
Men zou veel water moeten drinken.

besichtigen
Sie besichtigt Paris.
bezoeken
Ze bezoekt Parijs.

empfangen
Ich kann ein sehr schnelles Internet empfangen.
ontvangen
Ik kan zeer snel internet ontvangen.

akzeptieren
Hier werden Kreditkarten akzeptiert.
accepteren
Creditcards worden hier geaccepteerd.

bieten
Was bietet ihr mir für meinen Fisch?
aanbieden
Wat bied je me aan voor mijn vis?

eintreten
Treten Sie ein!
binnenkomen
Kom binnen!

mitbekommen
Das Kind bekommt den Streit seiner Eltern mit.
bewust zijn van
Het kind is zich bewust van de ruzie van zijn ouders.

zurücknehmen
Das Gerät ist defekt, der Händler muss es zurücknehmen.
terugnemen
Het apparaat is defect; de winkelier moet het terugnemen.

zahlen
Sie zahlt im Internet mit einer Kreditkarte.
betalen
Ze betaalt online met een creditcard.

mischen
Man kann mit Gemüse einen gesunden Salat mischen.
mengen
Je kunt een gezonde salade met groenten mengen.
