Woordenlijst

Leer werkwoorden – Duits

cms/verbs-webp/112444566.webp
ansprechen
Man sollte ihn ansprechen, er ist so einsam.
praten met
Iemand zou met hem moeten praten; hij is zo eenzaam.
cms/verbs-webp/82378537.webp
beseitigen
Diese alten Gummireifen müssen gesondert beseitigt werden.
weggooien
Deze oude rubberen banden moeten apart worden weggegooid.
cms/verbs-webp/124053323.webp
verschicken
Er verschickt einen Brief.
sturen
Hij stuurt een brief.
cms/verbs-webp/130288167.webp
reinigen
Sie reinigt die Küche.
schoonmaken
Ze maakt de keuken schoon.
cms/verbs-webp/120762638.webp
mitteilen
Ich muss Ihnen etwas Wichtiges mitteilen.
vertellen
Ik heb iets belangrijks te vertellen.
cms/verbs-webp/128644230.webp
erneuern
Der Maler will die Wandfarbe erneuern.
vernieuwen
De schilder wil de muurkleur vernieuwen.
cms/verbs-webp/67624732.webp
befürchten
Wir befürchten, dass die Person schwer verletzt ist.
vrezen
We vrezen dat de persoon ernstig gewond is.
cms/verbs-webp/106725666.webp
nachsehen
Er sieht nach, wer da wohnt.
controleren
Hij controleert wie daar woont.
cms/verbs-webp/90539620.webp
vergehen
Die Zeit vergeht manchmal langsam.
voorbijgaan
De tijd gaat soms langzaam voorbij.
cms/verbs-webp/89025699.webp
schleppen
Der Esel schleppt eine schwere Last.
dragen
De ezel draagt een zware last.
cms/verbs-webp/67095816.webp
zusammenziehen
Die beiden wollen bald zusammenziehen.
samenwonen
De twee zijn van plan om binnenkort samen te gaan wonen.
cms/verbs-webp/104302586.webp
zurückbekommen
Ich habe das Wechselgeld zurückbekommen.
terugkrijgen
Ik kreeg het wisselgeld terug.