Woordenlijst
Leer werkwoorden – Deens

overnatte
Vi overnatter i bilen.
overnachten
We overnachten in de auto.

gå en tur
Familien går en tur om søndagen.
wandelen
De familie gaat op zondag wandelen.

lytte
Han kan lide at lytte til sin gravide kones mave.
luisteren
Hij luistert graag naar de buik van zijn zwangere vrouw.

lukke ind
Det sneede udenfor, og vi lukkede dem ind.
binnenlaten
Buiten sneeuwde het en we lieten ze binnen.

ændre
Meget har ændret sig på grund af klimaforandringer.
veranderen
Veel is veranderd door klimaatverandering.

bestå
Studenterne bestod eksamen.
slagen
De studenten zijn geslaagd voor het examen.

komme hjem
Far er endelig kommet hjem!
thuiskomen
Papa is eindelijk thuisgekomen!

overtale
Hun skal ofte overtale sin datter til at spise.
overtuigen
Ze moet haar dochter vaak overtuigen om te eten.

læse
Jeg kan ikke læse uden briller.
lezen
Ik kan niet zonder bril lezen.

køre hjem
Efter shopping kører de to hjem.
naar huis rijden
Na het winkelen rijden de twee naar huis.

afgå
Skibet afgår fra havnen.
vertrekken
Het schip vertrekt uit de haven.
