Woordenlijst

Leer werkwoorden – Deens

cms/verbs-webp/62000072.webp
overnatte
Vi overnatter i bilen.
overnachten
We overnachten in de auto.
cms/verbs-webp/91367368.webp
gå en tur
Familien går en tur om søndagen.
wandelen
De familie gaat op zondag wandelen.
cms/verbs-webp/129235808.webp
lytte
Han kan lide at lytte til sin gravide kones mave.
luisteren
Hij luistert graag naar de buik van zijn zwangere vrouw.
cms/verbs-webp/53646818.webp
lukke ind
Det sneede udenfor, og vi lukkede dem ind.
binnenlaten
Buiten sneeuwde het en we lieten ze binnen.
cms/verbs-webp/84850955.webp
ændre
Meget har ændret sig på grund af klimaforandringer.
veranderen
Veel is veranderd door klimaatverandering.
cms/verbs-webp/119269664.webp
bestå
Studenterne bestod eksamen.
slagen
De studenten zijn geslaagd voor het examen.
cms/verbs-webp/106787202.webp
komme hjem
Far er endelig kommet hjem!
thuiskomen
Papa is eindelijk thuisgekomen!
cms/verbs-webp/132125626.webp
overtale
Hun skal ofte overtale sin datter til at spise.
overtuigen
Ze moet haar dochter vaak overtuigen om te eten.
cms/verbs-webp/1502512.webp
læse
Jeg kan ikke læse uden briller.
lezen
Ik kan niet zonder bril lezen.
cms/verbs-webp/41019722.webp
køre hjem
Efter shopping kører de to hjem.
naar huis rijden
Na het winkelen rijden de twee naar huis.
cms/verbs-webp/22225381.webp
afgå
Skibet afgår fra havnen.
vertrekken
Het schip vertrekt uit de haven.
cms/verbs-webp/104849232.webp
føde
Hun skal føde snart.
bevallen
Ze zal binnenkort bevallen.