Ordliste
Lær verber – Nederlandsk

samenkomen
Het is fijn als twee mensen samenkomen.
komme sammen
Det er dejligt, når to mennesker kommer sammen.

komen
Ik ben blij dat je bent gekomen!
komme
Jeg er glad for, at du kom!

liegen
Hij liegt vaak als hij iets wil verkopen.
lyve
Han lyver ofte, når han vil sælge noget.

thuiskomen
Papa is eindelijk thuisgekomen!
komme hjem
Far er endelig kommet hjem!

overlaten
De eigenaren laten hun honden aan mij over voor een wandeling.
overlade til
Ejerne overlader deres hunde til mig for en tur.

ontvangen
Ze ontving een heel mooi cadeau.
modtage
Hun modtog en meget flot gave.

voelen
Hij voelt zich vaak alleen.
føle
Han føler sig ofte alene.

meerijden
Mag ik met je meerijden?
køre med
Må jeg køre med dig?

verslagen worden
De zwakkere hond wordt verslagen in het gevecht.
blive besejret
Den svagere hund bliver besejret i kampen.

lezen
Ik kan niet zonder bril lezen.
læse
Jeg kan ikke læse uden briller.

verwijderen
De graafmachine verwijdert de grond.
fjerne
Gravemaskinen fjerner jorden.
