Ordliste

Lær adverbier – Nederlandsk

cms/adverbs-webp/118228277.webp
uit
Hij zou graag uit de gevangenis willen komen.
ud
Han vil gerne komme ud af fængslet.
cms/adverbs-webp/135100113.webp
altijd
Hier was altijd een meer.
altid
Der var altid en sø her.
cms/adverbs-webp/77731267.webp
veel
Ik lees inderdaad veel.
meget
Jeg læser faktisk meget.
cms/adverbs-webp/7769745.webp
opnieuw
Hij schrijft alles opnieuw.
igen
Han skriver alt igen.
cms/adverbs-webp/78163589.webp
bijna
Ik raakte bijna!
næsten
Jeg ramte næsten!
cms/adverbs-webp/145004279.webp
nergens
Deze sporen leiden naar nergens.
ingen steder
Disse spor fører ingen steder hen.
cms/adverbs-webp/135007403.webp
in
Gaat hij naar binnen of naar buiten?
i
Går han ind eller ud?
cms/adverbs-webp/96228114.webp
nu
Moet ik hem nu bellen?
nu
Skal jeg ringe til ham nu?
cms/adverbs-webp/80929954.webp
meer
Oudere kinderen krijgen meer zakgeld.
mere
Ældre børn får mere lommepenge.
cms/adverbs-webp/138692385.webp
ergens
Een konijn heeft zich ergens verstopt.
et eller andet sted
En kanin har gemt sig et eller andet sted.
cms/adverbs-webp/29115148.webp
maar
Het huis is klein maar romantisch.
men
Huset er lille, men romantisk.
cms/adverbs-webp/170728690.webp
alleen
Ik geniet van de avond helemaal alleen.
alene
Jeg nyder aftenen helt alene.