Woordenlijst
Leer bijwoorden – Deens
på det
Han klatrer op på taget og sidder på det.
erop
Hij klimt op het dak en zit erop.
lige
Hun vågnede lige.
net
Ze is net wakker geworden.
allerede
Huset er allerede solgt.
al
Het huis is al verkocht.
næsten
Jeg ramte næsten!
bijna
Ik raakte bijna!
ofte
Tornadoer ses ikke ofte.
vaak
Tornado‘s worden niet vaak gezien.
i
Går han ind eller ud?
in
Gaat hij naar binnen of naar buiten?
næsten
Det er næsten midnat.
bijna
Het is bijna middernacht.
nogensinde
Har du nogensinde mistet alle dine penge i aktier?
ooit
Heb je ooit al je geld aan aandelen verloren?
i det mindste
Frisøren kostede i det mindste ikke meget.
minstens
De kapper kostte minstens niet veel.
længe
Jeg måtte vente længe i venteværelset.
lang
Ik moest lang in de wachtkamer wachten.
næsten
Tanken er næsten tom.
bijna
De tank is bijna leeg.