Ordliste

Lær verber – Nederlandsk

cms/verbs-webp/57207671.webp
accepteren
Ik kan dat niet veranderen, ik moet het accepteren.
acceptere
Jeg kan ikke ændre det, jeg må acceptere det.
cms/verbs-webp/28642538.webp
laten staan
Vandaag moeten velen hun auto’s laten staan.
efterlade stående
I dag skal mange efterlade deres biler stående.
cms/verbs-webp/56994174.webp
uitkomen
Wat komt er uit het ei?
komme ud
Hvad kommer ud af ægget?
cms/verbs-webp/98060831.webp
uitgeven
De uitgever geeft deze tijdschriften uit.
udgive
Forlæggeren udgiver disse magasiner.
cms/verbs-webp/6307854.webp
naar je toekomen
Het geluk komt naar je toe.
komme til dig
Held kommer til dig.
cms/verbs-webp/40326232.webp
begrijpen
Ik begreep eindelijk de taak!
forstå
Jeg forstod endelig opgaven!
cms/verbs-webp/104818122.webp
repareren
Hij wilde de kabel repareren.
reparere
Han ville reparere kablet.
cms/verbs-webp/68761504.webp
controleren
De tandarts controleert het gebit van de patiënt.
tjekke
Tandlægen tjekker patientens tandsæt.
cms/verbs-webp/97188237.webp
dansen
Ze dansen verliefd een tango.
danse
De danser en tango forelsket.
cms/verbs-webp/120200094.webp
mengen
Je kunt een gezonde salade met groenten mengen.
blande
Du kan blande en sund salat med grøntsager.
cms/verbs-webp/104820474.webp
klinken
Haar stem klinkt fantastisch.
lyde
Hendes stemme lyder fantastisk.
cms/verbs-webp/40129244.webp
uitgaan
Ze stapt uit de auto.
stige ud
Hun stiger ud af bilen.