Ordliste

Lær verber – Nederlandsk

cms/verbs-webp/122010524.webp
ondernemen
Ik heb veel reizen ondernomen.
påtage sig
Jeg har påtaget mig mange rejser.
cms/verbs-webp/118567408.webp
denken
Wie denk je dat sterker is?
tænke
Hvem tror du er stærkest?
cms/verbs-webp/77581051.webp
aanbieden
Wat bied je me aan voor mijn vis?
tilbyde
Hvad tilbyder du mig for min fisk?
cms/verbs-webp/113316795.webp
inloggen
Je moet inloggen met je wachtwoord.
logge ind
Du skal logge ind med dit kodeord.
cms/verbs-webp/78309507.webp
uitknippen
De vormen moeten worden uitgeknipt.
klippe ud
Figurerne skal klippes ud.
cms/verbs-webp/130288167.webp
schoonmaken
Ze maakt de keuken schoon.
rengøre
Hun rengør køkkenet.
cms/verbs-webp/106515783.webp
vernielen
De tornado vernielt veel huizen.
ødelægge
Tornadoen ødelægger mange huse.
cms/verbs-webp/128644230.webp
vernieuwen
De schilder wil de muurkleur vernieuwen.
forny
Maleren vil forny vægfarven.
cms/verbs-webp/121264910.webp
snijden
Voor de salade moet je de komkommer snijden.
hakke
Til salaten skal du hakke agurken.
cms/verbs-webp/113671812.webp
delen
We moeten leren onze rijkdom te delen.
dele
Vi skal lære at dele vores rigdom.
cms/verbs-webp/107996282.webp
verwijzen
De leraar verwijst naar het voorbeeld op het bord.
henvise
Læreren henviser til eksemplet på tavlen.
cms/verbs-webp/3819016.webp
missen
Hij miste de kans op een doelpunt.
misse
Han missede chancen for et mål.