Ordliste
Lær verber – Nederlandsk

wassen
De moeder wast haar kind.
vaske
Moderen vasker sit barn.

verkopen
De handelaren verkopen veel goederen.
sælge
Handlerne sælger mange varer.

winnen
Hij probeert te winnen met schaken.
vinde
Han prøver at vinde i skak.

gemakkelijk gaan
Surfen gaat hem gemakkelijk af.
falde let
Surfing falder ham let.

imiteren
Het kind imiteert een vliegtuig.
efterligne
Barnet efterligner et fly.

zwemmen
Ze zwemt regelmatig.
svømme
Hun svømmer regelmæssigt.

voelen
De moeder voelt veel liefde voor haar kind.
føle
Moderen føler stor kærlighed for sit barn.

veroorzaken
Alcohol kan hoofdpijn veroorzaken.
forårsage
Alkohol kan forårsage hovedpine.

vervoeren
We vervoeren de fietsen op het dak van de auto.
transportere
Vi transporterer cyklerne på bilens tag.

missen
Ze heeft een belangrijke afspraak gemist.
misse
Hun missede en vigtig aftale.

terugrijden
De moeder rijdt met de dochter terug naar huis.
køre tilbage
Moderen kører datteren hjem igen.
