Woordenlijst

Leer werkwoorden – Portugees (PT)

cms/verbs-webp/47802599.webp
preferir
Muitas crianças preferem doces a coisas saudáveis.
verkiezen
Veel kinderen verkiezen snoep boven gezonde dingen.
cms/verbs-webp/119747108.webp
comer
O que queremos comer hoje?
eten
Wat willen we vandaag eten?
cms/verbs-webp/85860114.webp
avançar
Você não pode avançar mais a partir deste ponto.
verder gaan
Je kunt op dit punt niet verder gaan.
cms/verbs-webp/110775013.webp
anotar
Ela quer anotar sua ideia de negócio.
opschrijven
Ze wil haar zakelijk idee opschrijven.
cms/verbs-webp/78073084.webp
deitar
Eles estavam cansados e se deitaram.
liggen
Ze waren moe en gingen liggen.
cms/verbs-webp/121112097.webp
pintar
Eu pintei um lindo quadro para você!
schilderen
Ik heb een mooi schilderij voor je geschilderd!
cms/verbs-webp/104825562.webp
ajustar
Você tem que ajustar o relógio.
instellen
Je moet de klok instellen.
cms/verbs-webp/108286904.webp
beber
As vacas bebem água do rio.
drinken
De koeien drinken water uit de rivier.
cms/verbs-webp/130938054.webp
cobrir
A criança se cobre.
bedekken
Het kind bedekt zichzelf.
cms/verbs-webp/119847349.webp
ouvir
Não consigo ouvir você!
horen
Ik kan je niet horen!
cms/verbs-webp/108118259.webp
esquecer
Ela esqueceu o nome dele agora.
vergeten
Ze is nu zijn naam vergeten.
cms/verbs-webp/66787660.webp
pintar
Quero pintar meu apartamento.
schilderen
Ik wil mijn appartement schilderen.