Vocabulário
Aprenda verbos – Holandês

sturen
Hij stuurt een brief.
enviar
Ele está enviando uma carta.

plezier hebben
We hebben veel plezier gehad op de kermis!
divertir-se
Nos divertimos muito no parque de diversões!

uitslapen
Ze willen eindelijk eens een nacht uitslapen.
dormir até tarde
Eles querem, finalmente, dormir até tarde por uma noite.

rijden
Kinderen rijden graag op fietsen of steps.
andar
As crianças gostam de andar de bicicleta ou patinetes.

stoppen
Hij stopte met zijn baan.
desistir
Ele desistiu do seu trabalho.

drukken
Boeken en kranten worden gedrukt.
imprimir
Livros e jornais estão sendo impressos.

verwijzen
De leraar verwijst naar het voorbeeld op het bord.
referir
O professor refere-se ao exemplo no quadro.

vervangen
De automonteur vervangt de banden.
trocar
O mecânico de automóveis está trocando os pneus.

samenkomen
Het is fijn als twee mensen samenkomen.
juntar-se
É bom quando duas pessoas se juntam.

bewegen
Het is gezond om veel te bewegen.
mover
É saudável se movimentar muito.

bespreken
De collega’s bespreken het probleem.
discutir
Os colegas discutem o problema.
