Vocabulário

Aprenda verbos – Holandês

cms/verbs-webp/89516822.webp
straffen
Ze strafte haar dochter.
punir
Ela puniu sua filha.
cms/verbs-webp/81973029.webp
initiëren
Ze zullen hun scheiding initiëren.
iniciar
Eles vão iniciar o divórcio.
cms/verbs-webp/859238.webp
uitoefenen
Ze oefent een ongewoon beroep uit.
exercer
Ela exerce uma profissão incomum.
cms/verbs-webp/70055731.webp
vertrekken
De trein vertrekt.
partir
O trem parte.
cms/verbs-webp/77572541.webp
verwijderen
De vakman heeft de oude tegels verwijderd.
remover
O artesão removeu os antigos azulejos.
cms/verbs-webp/123947269.webp
monitoren
Alles wordt hier door camera’s gemonitord.
monitorar
Tudo aqui é monitorado por câmeras.
cms/verbs-webp/114052356.webp
branden
Het vlees mag niet branden op de grill.
queimar
A carne não deve queimar na grelha.
cms/verbs-webp/108218979.webp
moeten
Hij moet hier uitstappen.
dever
Ele deve descer aqui.
cms/verbs-webp/113136810.webp
versturen
Dit pakket wordt binnenkort verstuurd.
despachar
Este pacote será despachado em breve.
cms/verbs-webp/1422019.webp
herhalen
Mijn papegaai kan mijn naam herhalen.
repetir
Meu papagaio pode repetir meu nome.
cms/verbs-webp/90773403.webp
volgen
Mijn hond volgt me als ik jog.
seguir
Meu cachorro me segue quando eu corro.
cms/verbs-webp/72855015.webp
ontvangen
Ze ontving een heel mooi cadeau.
receber
Ela recebeu um presente muito bonito.